right-arrow

Soms zijn het niet de bestemmingen die een reis bijzonder maken, maar alles wat zich onderweg aandient. De route van Jermuk naar Sevan blijkt een aaneenschakeling van verrassingen: een eeuwenoude karavanserai, herders te paard, geurend lavash, een magische begraafplaats en uiteindelijk het turquoise water van Lake Sevan.

Vandaag beleven we dus weer zo’n dag waarop de bestemming bijzaak is. De weg klimt en kronkelt door bergen en langs een diepe kloof waar je automatisch wat zachter gaat rijden. Niet omdat het moet, maar omdat je steeds weer even wilt kijken.

Karavanserai en zijderoute

Midden in dat landschap, op de Vardenyats-bergpas (voorheen bekend als de Selimpas) duikt een bouwwerk op dat ik op internet al had gespot. De Selim-karavanserai (of Orbélian-karavanserai) stamt uit 1332 en is een van de best bewaarde van Armenië. Van buiten een verzameling stenen, van binnen een plek waar de tijd nauwelijks lijkt te zijn opgeschoten. Door openingen in het dak vallen bundels zonlicht naar binnen. Je hoeft niet veel fantasie te hebben om daar een karavaan met kooplieden en kamelen te zien uitrusten na een tocht over de bergen tijdens die lange reis over de Zijderoute van destijds.

Herders en paddenstoelen

Even later maken de stenen plaats voor groene hellingen waar herders te paard hun kuddes bijeen houden. Een herder wil wel poseren voor een foto en het was lastig kiezen welke te plaatsen, want ik heb er een aantal gemaakt. Ik vond het zo’n (cliché, sorry) idyllisch moment.

In het gras zoeken mensen naar paddenstoelen en een jongen houdt mij er een paar voor. Ontzettend vriendelijk. We krijgen hem – hopelijk – met handen en voeten uitgelegd dat we in hotels slapen en een paddenstoel zonder keuken niet veel verder komt dan een goed voornemen. Armeens spreken we niet en Russisch ook niet, maar een glimlach blijkt gelukkig een taal die overal werkt.

Martoeni

In Martoeni begint onze maag zich ermee te bemoeien. Dat probleem is snel opgelost met een kebab die nog lang in de race blijft voor de lekkerste van deze reis. Daarna kan ik het niet laten om nog even binnen te gluren bij een bakker, waar lavash – dat bijzondere Armeense brood – wordt gemaakt.

Vintage? Zeker. Uit dienst? Absoluut niet.

Vis langs de weg

Hoe dichter we bij het Sevanmeer komen, hoe vaker auto’s langs de weg veranderen in geïmproviseerde viswinkels. Gerookte vis hangt aan kratjes en open achterkleppen alsof iedere eigenaar zijn eigen manier heeft bedacht om de vangst aan te prijzen. Hopelijk is het witvis want de Sevan forel (ishkan) is bijna uitgestorven door overbevissing en daling van het waterpeil. Commerciële vangst daarvan is dan ook verboden. Vraag dus altijd even of het gekweekte vis betreft lees ik op internet.

Het eerste kerkje aan het meer laat weer niet lang op zich wachten. Daaromheen staan eeuwenoude khachkars – rijk versierde kruisstenen, typisch voor Armenië – die moeiteloos de aandacht trekken. Hoe langer je kijkt, hoe meer details je ontdekt. Geen steen is hetzelfde en juist dat maakt ze zo bijzonder. En terwijl ik daar rondloop, ontdek ik dat ik mijn flipflops beter niet zomaar ergens neer kan zetten. Opeens begint het vreselijk te jeuken aan mijn enkels. Geen wonder: het gras blijkt vol te zitten met hoopjes dikke rupsen die om elkaar heen kronkelen. Als een bosje prikkend haar en niet een paar, maar tientallen bosjes. Vanaf dat moment kijk ik vaker naar beneden dan naar de kerk. Jakkes!

Noratus begraafplaats

Noratus – dat in de 10e eeuw werd aangelegd – maakt misschien nog wel de meeste indruk. Tussen een enorme hoeveelheid khachkars dwalen we over een plek waar elke steen zijn eigen verhaal lijkt te bewaren. Geen twee zijn hetzelfde. Volgens een oude legende zetten de inwoners ooit helmen op de stenen, zodat een oprukkend leger dacht dat het dorp zwaar werd bewaakt en rechtsomkeert maakte. Of het echt zo is gebeurd? Geen idee. Maar terwijl je daar tussen al die eeuwenoude stenen loopt, geloof je zulke verhalen meteen.

Eén kerk is geen kerk in Armenië weten we intussen, dus verschijnt er even later nog een, ook met uitzicht over het turquoise water van Lake Sevan. Dat meer heeft een kleur waar foto’s eigenlijk altijd in tekortschieten.

Blauw blauw blauw

Nog voor we Sevan bereiken, strijken we neer bij een blauwe uitspanning langs de weg. Echt alles is blauw: de muren, de deuren en zelfs de weg. Alsof iemand besloot dat één kleur ruim voldoende was. De enige afwijking: erachter staat een gouden zeemeermin te shinen aan het meer.

Meeuweneiland

Aan het Sevanmeer worden we welkom geheten door een kleine meeuwenvergadering op een (kunstmatig?) eilandje voor de kust. We willen ook graag naar Chayeri island toe, waar hele kolonies meeuwen en andere vogels schijnen te broeden op dit moment. Totdat blijkt dat je zeven euro moet betalen om dat strand op te mogen. Dat voelt een beetje vreemd in een land waar verder bijna alles verrassend betaalbaar is. We wensen de meeuwen vanaf de overkant dus maar succes, want ook de weg er naartoe ziet er niet al te best uit en onze huurauto heeft voorlopig al genoeg geleden…

Weer regen

Als we bijna bij ons huisje op een parkje aan het meer zijn, beginnen de eerste regendruppels te vallen. Nog niets om je zorgen over te maken, denken we. Dat verandert precies op het moment dat we de auto uitstappen. De lucht trekt een onzichtbare emmer leeg en houdt daar voorlopig niet meer mee op. Ons plan om langs het water te wandelen verruilen we daarom voor een groot restaurant dat nog duidelijk sporen van de Sovjettijd draagt. Met een warme chocolademelk voor ons en uitzicht over een meer dat langzaam achter de regen verdwijnt, lijkt dat op dit moment het enige alternatief. Morgen zien we wel verder.

Sevanavank

De volgende ochtend is het alsof de regen nooit heeft bestaan. De zon schijnt weer over het water en voordat we verder reizen, bezoeken we nog Sevanavank. Vanaf het klooster kijken we uit over Lake Sevan dat inmiddels weer alle tinten blauw en turquoise heeft teruggevonden. Een mooier afscheid van Sevan hadden we ons eigenlijk niet kunnen wensen.

Dit is deel vijf van onze roadtrip door Armenië. Deel 1 vind je hier. Deel zes zal over niet al te lange tijd verschijnen: dan gaan we verder naar Dilijan, het Zwitserland van Armenië, zoals ze wel zeggen.

Info:

  • Wij verbleven dus op Garden Inn Resort in Sevan, waar ze Engels spreken. Dat is weleens fijn op zo’n reis als deze. Wel jammer dat het net slecht weer was, want dit is echt leuk als de zon lekker schijnt. Het avondeten op het parkje is prima, net als het ontbijt. Hier kun je trouwens ook zelf koken, want er zit een keukentje in je huisje;
  • Het blauwe verblijf zoals beschreven ziet er van buiten leuk uit, maar de kamers hier zijn een stuk minder leuk;
  • Het is een rit van 173 kilometer van Jermuk naar Sevan. Zonder stops doe je daar drie uur over.

3 juli 2026.

Doe mee met de conversatie

2 reacties

  1. Net alle delen van de reis gelezen.
    Wat prachtig en interessant en bijzonder allemaal
    Leuk om te lezen.

    1. Dat is leuk om te horen Marjo. Dank, het was ook weer heel bijzonder en het is nog niet klaar! gr. Monique

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *