Als we Zabljak (Montenegro) verlaten, ontkomen we er niet aan: we moeten de brug bij de Tara Canyon over als we naar Servië willen. Een dag eerder stonden we er nog met bewondering naar te kijken — indrukwekkend hoog, met een prachtig uitzicht over de kloof en de rivier diep onder ons. Toen konden we het gevaar nog van een afstandje bekijken. Nu moeten we er daadwerkelijk overheen. Dit is deel 5 van onze roadtrip over de Balkan.
De brug oogt op sommige plekken wat sleets: hier en daar ontbreekt een stuk beton en de rand ziet eruit alsof die al een paar Balkanwinters te veel heeft meegemaakt. Niet bepaald geruststellend. Er rijdt wel dagelijks nog verkeer overheen en dat stelt een beetje gerust. Toch ben ik blij als we aan de overkant zijn en de brug gewoon is blijven liggen.

De weg is weer schitterend en slingert zich als een losgeraakt lint door een idyllisch, groen landschap vol heuvels en bergen. Alles ademt rust — tot we de grensovergang bij Jabuka bereiken, van Montenegro naar Servië. Daar houden we even onze adem in. Wat staat ons nu weer te wachten?
Een spannende grensovergang
Voor ons wordt een auto grondig binnenstebuiten gekeerd door twee imposante mannen: een soort kruising tussen FBI-agenten en ijzervreters uit de sportschool. Geen vakje blijft ongeschonden; zelfs de sokken in de koffers worden vakkundig doorzocht.
Zij staan rechts, maar wij worden vriendelijk doch beslist naar links gebonjourd. Een andere douanier – of misschien was het grenspolitie, geen idee, ze hebben allemaal datzelfde serieuze gezicht – vraagt om onze autopapieren en paspoorten. Hij neemt ze aan, knikt kort en verdwijnt ermee.
Ik moet meteen denken aan onze vorige ervaring bij de grens tussen Albanië en Montenegro, waarbij ineens kosten voor een autoverzekering of groene kaart opdoken die nergens op papier stonden. Dus had ik dit keer maar alvast gegoogeld: wat gaat deze grap ons kosten? Schatting was tussen de 40 en 60 euro.
De ‘spanning’ stijgt. Dan komt de man in donkerblauw terug, drukt ons zwijgend de papieren in de hand… en loopt weg. We mogen gewoon door. Geen cent betaald. Gratis de grens over — wie had dát gedacht? Pfff.
Weer onderweg naar Servië
Halverwege de reis stoppen we bij het fraaie, turquoise stuwmeer Zlatarsko Jezero. (Dat ‘Jezero’ ‘meer’ betekent, ontdekte ik pas onderweg.) Er is een terras met uitzicht over het water, maar we besluiten toch door te rijden — te nieuwsgierig naar ons nieuwe adres.





Bij Zlatibor, een daar bekende wintersportplaats die ook in de zomer toeristen trekt (en op de parkeerplaats te zien zijn de meeste uit eigen land), krijgen we toch trek in koffie. Die drinken we op een stoel in de schaduw uitkijkend op een grote vijver met fonteinen. Even niet weer in de zon natuurlijk — want die lijkt deze hele roadtrip met ons mee te reizen en is zo af en toe meedogenloos.


Mokra Gora in Servië



En dan het laatste stuk nog naar Mokra Gora. Ik val meteen voor dit karakteristieke dorpje aan een oud spoor. De foto’s op internet trokken mij hier al naartoe, maar de werkelijkheid is nog veel mooier. Bij de ingang van het dorp staat al een hemels houten kerkje en een zelfde brug die rechtstreeks lijkt te zijn weggehaald uit een sprookje van Grimm.





We dwalen wat rond bij het oude stationnetje, waar een paar trotse locomotieven uit vervlogen tijden staan te pronken. Er is een klein kraampje met zelfgemaakte spulletjes, maar het etiket kan ik in dit cyrillische schrift niet lezen — geen idee wat het is. We laten het maar liggen en gaan op zoek naar ons ‘huisje’.
In Mokra Gora nemen we de afslag van de ‘grote weg’ — die meer weg heeft van een bergpad — en rijden steil naar beneden, en vervolgens weer omhoog, tot we uitkomen bij een soort overdekt parkeerplaatsje. Naast de auto prijkt een stalen tuinhek. Hier zal het wel zijn.
We stappen de tuin in, die schuin naar beneden loopt, en in de schaduw van een houten huis zitten twee mannen druk te keuvelen. Zodra ze ons spotten, staan ze recht en komen vriendelijk op ons af. Handen worden geschud, een warm welkom volgt. Vader en zoon, zo blijkt. We voelen ons nu al thuis.
Paul de Munnik
Ik moet meteen denken: Heeft Paul de Munnik misschien Servische roots? Want die zoon lijkt verdacht veel op hem. Hij leidt ons enthousiast rond over het terrein en vertelt dat de andere twee huisjes ook bewoond zijn, door gezellige families. Klinkt als: geluid tot laat, maar wel met wijn en verhalen. Prima.
Het uitzicht is adembenemend: de tuin en het huis kijken uit over een vallei en de berg daarachter. Voor het huis staat een schommelbank en een grote houten eettafel die smeekt om lange avonden met wijn en gegrild vlees. Ons huisje zelf lijkt rechtstreeks uit een boekje van ‘Leven in de Bergen’. We slapen boven, al is de trap meer een verticale uitdaging dan een trap — ‘avontuurlijk’ zullen we maar zeggen.




Later vertelt de vader dat het huis vroeger hoger op de heuvel stond. Zijn vader bouwde het, en zij hebben het verplaatst en helemaal opgeknapt. Je voelt de geschiedenis hier letterlijk in de planken.
Een Servische lunch
Na het uitpakken trekken we eropuit voor een eerste verkenning. Het dorp is een soort openluchtmuseum vol hout, bloembakken en nostalgie. Rondom het station hangt een gezellige sfeer. We ploffen neer op een terras voor een late lunch.




De menukaart is uitgebreid, maar voor mij grotendeels een mysterie en voor 99% gevuld met vlees, want: Balkan. Geen trek in vlees, dus ik ga voor een typisch Servisch voorgerecht: Komplet Lepinja (400 g) – flatbread met kajmak, ei en jus. Klinkt vriendelijk, smaakt lekker, maar mijn maag denkt: wow.

Uit nieuwsgierigheid vraag ik de serveerster wat ik nu precies gegeten heb. Vrolijk legt ze uit: warm, vers platbrood wordt opengesneden, daarover komt een dikke laag kajmak (een soort roomkaas meets clotted cream), dan gaat het vet van gebraden vlees (!!!) er rijkelijk overheen, gevolgd door een rauw of geklutst ei. Dat geheel wordt dan afgebakken. Geen wonder dat je na zo’n maaltijd met gemak de rest van de dag zonder eten kunt.
Een eerste wandeling in Servië
Gelukkig hebben we een wandeling gepland — een beetje beweging kan geen kwaad na die complete lepinja-aanval op mijn spijsverteringssysteem. Langs de rivier Kamisna moet het gaan, met onderweg mooie kerkjes en als het meezit, een waterval (Skakavac). Dat laatste lijkt al snel wat ambitieus: de rivier is zo goed als opgedroogd. Als hier nog een waterval te vinden is …


Gelukkig maken de kerkjes veel goed. Het eerste is een plaatje en het tweede eigenlijk ook — zie vooral de foto’s (want woorden doen ze tekort). De zon brandt ondertussen vrolijk door, en het voelt alsof we gewandeld hebben in een sauna met uitzicht.





De waterval slaan we dus wijselijk over. Een Servisch stel dat een stuk voor ons liep, is halverwege al teruggekeerd en als de locals afhaken, weet je meestal genoeg.
Dus keren wij ook om, terug naar onze fijne tuin. De schommelbank wacht, met een koel briesje en dat uitzicht waar je spontaan ansichtkaarten van zou willen maken.
Avondlicht en vleesbergen: gastvrijheid op zijn Balkans
Als de zon steeds lager zakt en gouden schaduwen werpt over de omgeving, besluit ik nog een laatste rondje ‘dorp’ te doen. Nou ja, dorp — dat is eigenlijk een groot woord voor een paar oude schuren. Maar ik hou ervan: de stilte, het uitzicht op de bergen aan de overkant, en de verlaten gebouwen waar af en toe een haan kraait of een geit lui in de schaduw ligt. Tot mijn maag zachtjes begint te protesteren.
We dineren in hetzelfde restaurant als tijdens de lunch. De serveerster begroet ons met een brede lach. En ook de wijn smaakt weer uitstekend — zoals tot nu toe overal op de Balkan.
Terug bij ons verblijf worden we meteen verwelkomd door de geur van gegrild vlees en vrolijk gelach. De Servische buren zitten aan een lange tafel en als ik laat weten dat het heerlijk ruikt, worden we zonder aarzelen uitgenodigd. ‘We hebben al gegeten,’ zeg ik nog voorzichtig. Maar dat maakt natuurlijk niets uit. Aanschuiven zullen we!
Bergen vlees verschijnen op tafel — op grote schalen, zonder poespas. ‘We’re meateaters’ grijnst de buurvrouw uit Belgrado. De eigenaar van het verblijf schuift ook aan en nog geen minuut later hebben we allebei een blikje bier voor onze neus. Het werd nog lang en bijzonder gezellig.




De volgende ochtend blijkt de gastvrijheid nog niet voorbij. We hebben heerlijk ontbeten in de ochtendzon en staan klaar om te vertrekken, als de zoon van de eigenaar, Zeljko, ons vriendelijk maant nog even te gaan zitten: we moeten écht nog iets proeven. Twee dikke warme sneden brood met kaas, ei — en natuurlijk vlees — worden voor ons neergezet. Eten zullen we!
En eerlijk is eerlijk: het smaakt erg lekker en laten we het er verder maar op houden dat de Balkan-keuken in elk geval voedzaam is.
Een route door Tara Nationaal Park




Zeljko vertelt ons dat zijn vader wel een prima autoroute weet door Tara Nationaal Park — een mooie oplossing nu het zó warm is dat lange wandelingen niet echt een optie zijn. ‘Wij hebben hier de beste wegen’, voegt hij knipogend toe, ‘veel beter dan in Bosnië of Montenegro’. Even later krijgen we van zijn vader een handgeschreven route met provisorische aantekeningen. Tot onze geruststelling blijken die vrijwel overeen te komen met het plan dat we zelf al getekend hadden.



Stuwmeer van Zaovine
We gaan op pad, de bergen in. Het wordt opnieuw een prachtige tocht, langs kleine kerkjes met bijzondere begraafplaatsen, oude houten schuren, diepe dalen en ruige bergtoppen. We rijden langs het glinsterende stuwmeer van Zaovine.



Bij een aantal punten stappen we uit voor een korte wandeling naar een uitzichtpunt. Bij één daarvan verbazen we ons over het waanzinnig mooie uitzicht op de twee blauwe meren. En we schrikken van iets dat razendsnel tussen de stenen verdwijnt: een slang! Er zou hier meer wild moeten zitten – zelfs beren – maar die hebben we helaas, of misschien gelukkig maar, niet getroffen.




Natuurparadijs Balkan
Tijdens onze wandelingen wil ik niet al teveel stil staan, maar de vele vlinders die we onderweg weer tegenkomen moet ik toch echt op de plaat vastleggen. De Balkan is echt een natuurparadijs!







Beneden in het dal volgen we de weg langs de Drina, op zoek naar het beroemde huisje dat midden in de rivier zou moeten liggen. En ja hoor, daar ligt het — een klein houten huisje, ogenschijnlijk losjes neergezet op een rotsblok in het water. Ik schiet snel een foto, voordat we aanschuiven voor de lunch op een terras met uitzicht op dit bijzondere tafereel.

Huisje in de Drina
Op de uitspanning boven de rivier blijkt rustig zitten er niet echt bij. De ene na de andere toerist komt langs om vanaf óns terras hun ultieme foto te maken. Elke paar minuten schuiven we onze stoelen weer iets dichter bij de tafel om ruimte te maken. Even overwegen we een bordje ‘reserveren voor wie betaalt’, maar besluiten dat glimlachen ook werkt. Gelukkig is het vlees lekker en blijft het uitzicht gratis bij Restoran Studenac.

Raça monastery (klooster), ons laatste doel, ligt er vreedzaam bij als we het terrein tegen het eind van de middag betreden. We zijn moe en verhit maar voldaan, dus schieten een paar plaatjes en stappen weer snel in de airco van de auto voor het laatste stukje naar ‘huis’.




Een laatste rondje en een vleugje heimwee naar Servië
’s Avonds, vlak voor het eten, loop ik nog een keer rustig mijn ‘vaste’ rondje door het gehucht. De zon kleurt alles zacht goud, en tussen de kippen, schuren en bergen voel ik al een vleugje afscheid. Servië zit er bijna op. Morgen reizen we door naar Bosnië en Herzegovina.





De buurvrouw ziet me langs komen en roept vrolijk: ‘Komen jullie nog een keer terug? Maar dan wel voor een week of zo!’ Ze stelt voor dat zij dan ook weer komen. En eerlijk? Ik ben er helemaal voor. Want ja, het is hier prachtig. Ik knik met een glimlach, maar van binnen knaagt het al een beetje: ik heb nu al heimwee naar een plek waar ik nog afscheid van moet nemen. Maar goed, eerst nog wat eten!






Het Afscheid
De volgende ochtend nemen we afscheid van onze sympathieke gastheer en deze idyllische plek in de bergen. Hij wenst ons een goede reis. Wij rijden daarna langzaam het dal uit. Wie weet — misschien komen we ooit nog eens terug. Maar dan dus écht voor een week. Of twee.
We zijn al snel bij de grens en benieuwd wat er weer gaat gebeuren. Het valt mee: voor 2 euro mogen we het land verlaten. Bosnië Herzegovina: here we come!
Info:
Wij verbleven in een huis van Nana appartementen. Het is er erg gezellig met de vriendelijke eigenaar en super betaalbaar. Er zijn maar drie verblijven die op redelijke afstand van elkaar liggen dus je hebt veel privacy en rust. Ook kun je er zelf bbq’en in de heerlijke tuin met uitzicht over de bergen en het dorp ertegenover. En oh ja: je moet dus wel goed ter been zijn voor de trap naar boven!
Tara National park is helemaal gratis en in Mitrovac vind je een toeristen informatie kantoor.
NB: dit is deel vijf van onze roadtrip over de Balkan door Albanië, Montenegro, Servië en Bosnië Herzegovina. Deel 1 vind je hier. Periodiek zullen er nieuwe delen verschijnen, dus houd mijn facebook of website in de gaten! Op mijn instagram vind je nog filmpjes van de andere bestemmingen.
12 juli 2025