right-arrow

Half augustus pakken we onze fietsen en tent in voor een lang weekend Hamelen (Hameln). Het wordt heerlijk weer en het is maar 2,5 uur rijden vanaf de grens. Maar helaas: alle campings in en rond de stad blijken bij aankomst vol. Dat is even balen. Tot we een plekje vinden op camping Schellenthal, een paar kilometer verderop, vlak bij Bad Pyrmont.

Achteraf denk ik dat die volle campings ons juist een plezier hebben gedaan. Camping Schellenthal is zo’n camping waar je onwillekeurig een tandje terugschakelt. Niet alleen met de fiets, maar ook in je hoofd. Broodjes bestel je door een formulier in te vullen en in een brievenbus te stoppen. De volgende ochtend liggen ze klaar en het geld gaat gewoon in een mandje. Geen QR-code, geen app, geen digitale bevestiging. Alleen een briefje, een mandje en een flinke dosis vertrouwen. Daar word ik vrolijk van.

Hoogseizoen en wat een rust op camping Schellenthal

En dan stappen we op de fiets. De camping ligt in een dal. Dat klinkt idyllisch en dat is het ook. Alleen heeft ieder dal één vervelende eigenschap: als je wegfietst, moet je omhoog. Eerst maar richting Hamelen. Onderweg liggen Schloss Schwöbber en Schloss Hämelschenburg, twee kastelen die laten zien dat de adel in de renaissance liever indruk maakte met elegantie dan met dikke vestingmuren. We zijn benieuwd!

Schloss Hämelschenburg

Als eerste bezoeken we Schloss Hämelschenburg. Een van de vele kastelen die in het Weserbergland te vinden zijn. Dit kasteel ontsnapte grotendeels aan de verbouwdrift van latere eeuwen. Daardoor voelt het alsof de renaissance hier nooit echt is vertrokken. Kasteel, kerk en bijgebouwen vormen nog altijd één geheel. En dat maakt het bijzonder. Veel kastelen veranderen door de eeuwen heen van stijl, maar hier krijg je nog een goed beeld van hoe een adellijk landgoed er rond 1600 uitziet. Het is niet moeilijk je voor te stellen hoe hier vierhonderd jaar geleden koetsen over de binnenplaats reden. Nu kun je er best een trouwfeestje geven.

Schloss Hämelschenburg

Hamelen

Iedereen kent de stad van de rattenvanger en eerlijk is eerlijk, die kom je overal tegen. Toch zijn het niet de ratten die mijn aandacht trekken. Dat zijn de huizen. In de zestiende eeuw verdient Hamelen goed aan de handel over de Weser en dat geld zie je nog steeds terug. Gevels vol beeldhouwwerk, sierlijke erkers en trapgevels die elkaar lijken af te troeven. Blijkbaar was pronken toen ook al een geliefde hobby.

Het is echt een heel gezellig stadje, dit vakwerkstadje aan de Weser, waar een visladder is aangelegd in de rivier. Vanuit Hamelen fietsen we verder door het Weserbergland. Dat golft rustig op en neer. Tenminste… zo ziet het eruit.

Schloss Schwöbber

Schloss Schwöbber verschijnt bijna verscholen tussen het water en het groen. De familie Von Münchhausen laat het aan het einde van de zestiende eeuw bouwen als buitenverblijf. Verdedigen hoeft dan nauwelijks meer; gezien worden des te meer. De rijk versierde gevels laten zien dat de Weserrenaissance niet alleen draait om wonen, maar ook om indruk maken. Een slotgracht blijft handig, maar een fraaie façade vertelt minstens zoveel over de status van de eigenaar. Terwijl wij er rondlopen, vraag ik me vooral af hoeveel personeel er vroeger nodig was om zo’n landgoed een beetje toonbaar te houden. Tegenwoordig kun je er ook slapen.

Fietswandelen

Het Weserbergland neemt dat laatste deel van zijn naam opvallend serieus. Ergens onderweg ontmoeten we de heuvel waarvan de ontwerper van de fietskaart ongetwijfeld dacht: ach, dat valt wel mee. Dat denken wij ook. De eerste honderd meter. Daarna schakelen we terug. Nog een keer. En nog een keer. Tot er eigenlijk niets meer overblijft om naar terug te schakelen. We kijken elkaar aan, stappen af en klimmen verder over het zandpad. De fietsen wandelen gezellig met ons mee. Boven aangekomen genieten we van het uitzicht. En van het feit dat we niet meer omhoog hoeven. De afdaling daarna maakt veel goed. De zwaartekracht blijkt een trouwe reisgenoot.

Na zo’n dag smaakt een schnitzel mit pfifferlinge und pommes (schnitzel met cantharellen en frites) ineens alsof de kok er uren op heeft gestudeerd. Op de camping schuiven we daarom aan op het terras. Of liever gezegd: op een stoel met de blote voetjes in het gras. Meer vakantiegevoel heb ik niet nodig.

Bad Pyrmont

Kuuroord Bad Pyrmont ligt bijna om de hoek, daar nemen we ook graag een kijkje. Al eeuwenlang komen mensen hier voor het bronwater. Wij houden het bij een wandeling door het kuurpark. Brede lanen, statige gebouwen en een tempo waarbij zelfs de duiven ontspannen lijken rond te lopen.

Schloss Pyrmont

We lopen nog even door naar Schloss Pyrmont. Ooit begonnen als een middeleeuwse burcht die de handelsroutes in de gaten hield, maar in de zestiende en zeventiende eeuw uitgegroeid tot een comfortabel renaissancekasteel. De vestingmuren herinneren nog aan het militaire verleden, terwijl de binnenplaats juist uitnodigt om rustig rond te kijken. Een grappig contrast: waar vroeger wachters over de wallen tuurden, lopen nu bezoekers met een ijsje of camera gemoedelijk een rondje.

Teutoburgerwald

Op de terugweg besluiten we nog een uitstapje te maken. Nog geen uur later rijden we het Teutoburgerwoud binnen. Het landschap verandert meteen. Minder open, meer bos, en ineens …. staan daar de Externsteine. Ook wel het Stonehenge van het Teutoburgerwoud genoemd.

Externsteine

Ze lijken bijna per ongeluk midden in het landschap terechtgekomen. Miljoenen jaren geleden vormde de natuur deze zandstenen rotsen. Eeuwen later hakten mensen er trappen, kamers en een kapel in uit. Daarna volgen de legendes vanzelf. Heilige plaatsen, Germaanse rituelen, mysterieuze verhalen… Archeologen worden daar meestal wat zenuwachtig van, want voor veel van die verhalen is weinig bewijs. Wat wél vaststaat, is dat mensen deze plek al eeuwenlang bijzonder vinden. Misschien is dat juist de grootste kracht van de Externsteine: de geschiedenis is er nooit helemaal af. Er blijft altijd iets te raden over.

Externsteine

Hermannsdenkmal

Zo’n tien kilometer verderop steekt het Hermannsdenkmal boven de bomen uit. Want niet alleen de Galliërs konden er wat van. Ook de Germanen hadden hun eigen held: Arminius. Hij slaagde er in het jaar 9 in om drie Romeinse legioenen te verslaan bij de slag om het Teutoburgerwoud. Het enorme standbeeld zelf verschijnt pas in de negentiende eeuw, wanneer een verenigd Duitsland behoefte heeft aan nationale helden. Zijn zwaard alleen is al zeven meter lang, dus je kunt wel nagaan hoe indrukwekkend dit monument is. Tegenwoordig komen de meeste bezoekers vooral voor het uitzicht. Ik vermoed dat Hermann daar prima mee kan leven.

Als we weer richting huis rijden, denk ik nog even terug aan die eerste teleurstelling. Geen camping in Hamelen. Gelukkig maar. Anders hadden we waarschijnlijk nooit op dat gezellige campinkje met broodjesmandje gestaan en hadden onze kuiten een stuk minder te vertellen gehad.

27 augustus 2024

Vorig verhaal
«
Volgend verhaal
»

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *